Kunnen we leven zonder te geloven?

Wat blijft er van ons over als we al onze overtuigingen zouden loslaten? Wat als we geen geloof meer hebben in iets of iemand — niet in de liefde, niet in vooruitgang, niet in betekenis, niet eens in onszelf? De vraag of we kunnen leven zonder te geloven, lijkt op het eerste gezicht misschien abstract, maar raakt aan de kern van wat het betekent om mens te zijn.

Geloven doen we allemaal. Niet alleen religieus — al dan niet in een god, een ziel of een hiernamaals — maar ook seculier: in vriendschap, wetenschap, rechtvaardigheid, liefde, de toekomst. Zelfs sceptici geloven ergens in: dat de rede ons zal redden, dat objectieve waarheid bestaat, dat twijfel loont.

Maar stel je een mens voor zonder enig geloof. Geen verwachtingen. Geen vertrouwen. Geen hoop. Alleen maar directe, kale waarneming van wat is. Is dat leven nog leefbaar? Of verschrompelt de ervaring dan tot een lege mechaniek? Filosofen als Nietzsche en Camus onderzochten dit vraagstuk intensief. Nietzsche sprak over de dood van God — en daarmee het verlies van gedeelde waarden. Camus vroeg zich af of het leven nog zin heeft als we de illusies over betekenis loslaten.

Sommigen zullen zeggen: zonder geloof, geen richting. Anderen stellen juist dat het loslaten van al het geloof de ultieme vrijheid biedt — een puur bestaan zonder illusie, zonder verbeelding, zonder zelfbedrog. Maar is dat geen ander soort geloof?

Is geloven misschien een noodzakelijke illusie? Een biologische strategie om zin te geven aan chaos? Of is het precies die drang tot geloven die ons verstrikt houdt in een eindeloze cyclus van lijden en verlangen?

Wat denk jij?
Kun jij leven zonder te geloven — werkelijk zonder iets te geloven?
Of is geloof de zuurstof van ons bewustzijn?